FlexiVerb

Dutch Verb

bezoedelen

to stain, besmirch, sully

takes hebbenstrongregular

Infinitive

bezoedelen

Past Participle

bezoedelend

Pres. Participle

bezoedelend

Imperative

bezoedel / bezoedelt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikbezoedel
jijbezoedelt
hij/zij/hetbezoedelt
wijbezoedelen
julliebezoedelen
zijbezoedelen

Verleden tijd

Simple Past

ikbezoedelde
jijbezoedelde
hij/zij/hetbezoedelde
wijbezoedelden
julliebezoedelden
zijbezoedelden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb bezoedelend
jijhebt bezoedelend
hij/zij/hetheeft bezoedelend
wijhebben bezoedelend
julliehebben bezoedelend
zijhebben bezoedelend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad bezoedelend
jijhad bezoedelend
hij/zij/hethad bezoedelend
wijhadden bezoedelend
julliehadden bezoedelend
zijhadden bezoedelend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal bezoedelen
jijzal bezoedelen
hij/zij/hetzal bezoedelen
wijzullen bezoedelen
julliezullen bezoedelen
zijzullen bezoedelen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal bezoedelend hebben
jijzal bezoedelend hebben
hij/zij/hetzal bezoedelend hebben
wijzullen bezoedelend hebben
julliezullen bezoedelend hebben
zijzullen bezoedelend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou bezoedelen
jijzou bezoedelen
hij/zij/hetzou bezoedelen
wijzouden bezoedelen
julliezouden bezoedelen
zijzouden bezoedelen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou bezoedelend hebben
jijzou bezoedelend hebben
hij/zij/hetzou bezoedelend hebben
wijzouden bezoedelend hebben
julliezouden bezoedelend hebben
zijzouden bezoedelend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het bezoedelen
jijbent aan het bezoedelen
hij/zij/hetis aan het bezoedelen
wijzijn aan het bezoedelen
julliezijn aan het bezoedelen
zijzijn aan het bezoedelen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het bezoedelen
jijwas aan het bezoedelen
hij/zij/hetwas aan het bezoedelen
wijwaren aan het bezoedelen
julliewaren aan het bezoedelen
zijwaren aan het bezoedelen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbezoedel
jijbezoedel
hij/zij/hetbezoedel
wijbezoedel
julliebezoedel
zijbezoedel

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0