FlexiVerb

Dutch Verb

bijeenhouden

to hold together

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

bijeenhouden

Past Participle

bijeenhoudend

Pres. Participle

bijeenhoudend

Imperative

hou bijeen / houdt bijeen

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikhou bijeen
jijhoudt bijeen
hij/zij/hethoudt bijeen
wijhouden bijeen
julliehouden bijeen
zijhouden bijeen

Verleden tijd

Simple Past

ikhield bijeen
jijhield bijeen
hij/zij/hethield bijeen
wijhielden bijeen
julliehielden bijeen
zijhielden bijeen

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb bijeenhoudend
jijhebt bijeenhoudend
hij/zij/hetheeft bijeenhoudend
wijhebben bijeenhoudend
julliehebben bijeenhoudend
zijhebben bijeenhoudend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad bijeenhoudend
jijhad bijeenhoudend
hij/zij/hethad bijeenhoudend
wijhadden bijeenhoudend
julliehadden bijeenhoudend
zijhadden bijeenhoudend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal bijeenhouden
jijzal bijeenhouden
hij/zij/hetzal bijeenhouden
wijzullen bijeenhouden
julliezullen bijeenhouden
zijzullen bijeenhouden

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal bijeenhoudend hebben
jijzal bijeenhoudend hebben
hij/zij/hetzal bijeenhoudend hebben
wijzullen bijeenhoudend hebben
julliezullen bijeenhoudend hebben
zijzullen bijeenhoudend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou bijeenhouden
jijzou bijeenhouden
hij/zij/hetzou bijeenhouden
wijzouden bijeenhouden
julliezouden bijeenhouden
zijzouden bijeenhouden

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou bijeenhoudend hebben
jijzou bijeenhoudend hebben
hij/zij/hetzou bijeenhoudend hebben
wijzouden bijeenhoudend hebben
julliezouden bijeenhoudend hebben
zijzouden bijeenhoudend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het bijeenhouden
jijbent aan het bijeenhouden
hij/zij/hetis aan het bijeenhouden
wijzijn aan het bijeenhouden
julliezijn aan het bijeenhouden
zijzijn aan het bijeenhouden

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het bijeenhouden
jijwas aan het bijeenhouden
hij/zij/hetwas aan het bijeenhouden
wijwaren aan het bijeenhouden
julliewaren aan het bijeenhouden
zijwaren aan het bijeenhouden
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbijeenhoud
jijbijeenhoud
hij/zij/hetbijeenhoud
wijbijeenhoud
julliebijeenhoud
zijbijeenhoud

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0