FlexiVerb

Dutch Verb

bijspijkeren

to brush up

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

bijspijkeren

Past Participle

bijspijkerend

Pres. Participle

bijspijkerend

Imperative

spijker bij / spijkert bij

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikspijker bij
jijspijkert bij
hij/zij/hetspijkert bij
wijspijkeren bij
julliespijkeren bij
zijspijkeren bij

Verleden tijd

Simple Past

ikspijkerde bij
jijspijkerde bij
hij/zij/hetspijkerde bij
wijspijkerden bij
julliespijkerden bij
zijspijkerden bij

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb bijspijkerend
jijhebt bijspijkerend
hij/zij/hetheeft bijspijkerend
wijhebben bijspijkerend
julliehebben bijspijkerend
zijhebben bijspijkerend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad bijspijkerend
jijhad bijspijkerend
hij/zij/hethad bijspijkerend
wijhadden bijspijkerend
julliehadden bijspijkerend
zijhadden bijspijkerend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal bijspijkeren
jijzal bijspijkeren
hij/zij/hetzal bijspijkeren
wijzullen bijspijkeren
julliezullen bijspijkeren
zijzullen bijspijkeren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal bijspijkerend hebben
jijzal bijspijkerend hebben
hij/zij/hetzal bijspijkerend hebben
wijzullen bijspijkerend hebben
julliezullen bijspijkerend hebben
zijzullen bijspijkerend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou bijspijkeren
jijzou bijspijkeren
hij/zij/hetzou bijspijkeren
wijzouden bijspijkeren
julliezouden bijspijkeren
zijzouden bijspijkeren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou bijspijkerend hebben
jijzou bijspijkerend hebben
hij/zij/hetzou bijspijkerend hebben
wijzouden bijspijkerend hebben
julliezouden bijspijkerend hebben
zijzouden bijspijkerend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het bijspijkeren
jijbent aan het bijspijkeren
hij/zij/hetis aan het bijspijkeren
wijzijn aan het bijspijkeren
julliezijn aan het bijspijkeren
zijzijn aan het bijspijkeren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het bijspijkeren
jijwas aan het bijspijkeren
hij/zij/hetwas aan het bijspijkeren
wijwaren aan het bijspijkeren
julliewaren aan het bijspijkeren
zijwaren aan het bijspijkeren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbijspijker
jijbijspijker
hij/zij/hetbijspijker
wijbijspijker
julliebijspijker
zijbijspijker

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0