Dutch Verb
bijstaan
to assist · to stand by or nearby
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
bijstaan
Past Participle
bijstaand
Pres. Participle
bijstaand
Imperative
sta bij / staat bij
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
iksta bij
jijstaat bij
hij/zij/hetstaat bij
wijstaan bij
julliestaan bij
zijstaan bij
Verleden tijd
Simple Past
ikstond bij
jijstond bij
hij/zij/hetstond bij
wijstonden bij
julliestonden bij
zijstonden bij
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb bijstaand
jijhebt bijstaand
hij/zij/hetheeft bijstaand
wijhebben bijstaand
julliehebben bijstaand
zijhebben bijstaand
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad bijstaand
jijhad bijstaand
hij/zij/hethad bijstaand
wijhadden bijstaand
julliehadden bijstaand
zijhadden bijstaand
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal bijstaan
jijzal bijstaan
hij/zij/hetzal bijstaan
wijzullen bijstaan
julliezullen bijstaan
zijzullen bijstaan
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal bijstaand hebben
jijzal bijstaand hebben
hij/zij/hetzal bijstaand hebben
wijzullen bijstaand hebben
julliezullen bijstaand hebben
zijzullen bijstaand hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou bijstaan
jijzou bijstaan
hij/zij/hetzou bijstaan
wijzouden bijstaan
julliezouden bijstaan
zijzouden bijstaan
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou bijstaand hebben
jijzou bijstaand hebben
hij/zij/hetzou bijstaand hebben
wijzouden bijstaand hebben
julliezouden bijstaand hebben
zijzouden bijstaand hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het bijstaan
jijbent aan het bijstaan
hij/zij/hetis aan het bijstaan
wijzijn aan het bijstaan
julliezijn aan het bijstaan
zijzijn aan het bijstaan
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het bijstaan
jijwas aan het bijstaan
hij/zij/hetwas aan het bijstaan
wijwaren aan het bijstaan
julliewaren aan het bijstaan
zijwaren aan het bijstaan
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbijstaa
jijbijstaa
hij/zij/hetbijstaa
wijbijstaa
julliebijstaa
zijbijstaa
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0