Dutch Verb
bijstellen
to adjust, to adapt, to amend
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
bijstellen
Past Participle
bijstellend
Pres. Participle
bijstellend
Imperative
stel bij / stelt bij
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikstel bij
jijstelt bij
hij/zij/hetstelt bij
wijstellen bij
julliestellen bij
zijstellen bij
Verleden tijd
Simple Past
ikstelde bij
jijstelde bij
hij/zij/hetstelde bij
wijstelden bij
julliestelden bij
zijstelden bij
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb bijstellend
jijhebt bijstellend
hij/zij/hetheeft bijstellend
wijhebben bijstellend
julliehebben bijstellend
zijhebben bijstellend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad bijstellend
jijhad bijstellend
hij/zij/hethad bijstellend
wijhadden bijstellend
julliehadden bijstellend
zijhadden bijstellend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal bijstellen
jijzal bijstellen
hij/zij/hetzal bijstellen
wijzullen bijstellen
julliezullen bijstellen
zijzullen bijstellen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal bijstellend hebben
jijzal bijstellend hebben
hij/zij/hetzal bijstellend hebben
wijzullen bijstellend hebben
julliezullen bijstellend hebben
zijzullen bijstellend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou bijstellen
jijzou bijstellen
hij/zij/hetzou bijstellen
wijzouden bijstellen
julliezouden bijstellen
zijzouden bijstellen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou bijstellend hebben
jijzou bijstellend hebben
hij/zij/hetzou bijstellend hebben
wijzouden bijstellend hebben
julliezouden bijstellend hebben
zijzouden bijstellend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het bijstellen
jijbent aan het bijstellen
hij/zij/hetis aan het bijstellen
wijzijn aan het bijstellen
julliezijn aan het bijstellen
zijzijn aan het bijstellen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het bijstellen
jijwas aan het bijstellen
hij/zij/hetwas aan het bijstellen
wijwaren aan het bijstellen
julliewaren aan het bijstellen
zijwaren aan het bijstellen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbijstell
jijbijstell
hij/zij/hetbijstell
wijbijstell
julliebijstell
zijbijstell
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0