FlexiVerb

Dutch Verb

bijvallen

to fall in addition · to second, take side

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

bijvallen

Past Participle

bijvallend

Pres. Participle

bijvallend

Imperative

val bij / valt bij

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikval bij
jijvalt bij
hij/zij/hetvalt bij
wijvallen bij
jullievallen bij
zijvallen bij

Verleden tijd

Simple Past

ikviel bij
jijviel bij
hij/zij/hetviel bij
wijvielen bij
jullievielen bij
zijvielen bij

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb bijvallend
jijhebt bijvallend
hij/zij/hetheeft bijvallend
wijhebben bijvallend
julliehebben bijvallend
zijhebben bijvallend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad bijvallend
jijhad bijvallend
hij/zij/hethad bijvallend
wijhadden bijvallend
julliehadden bijvallend
zijhadden bijvallend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal bijvallen
jijzal bijvallen
hij/zij/hetzal bijvallen
wijzullen bijvallen
julliezullen bijvallen
zijzullen bijvallen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal bijvallend hebben
jijzal bijvallend hebben
hij/zij/hetzal bijvallend hebben
wijzullen bijvallend hebben
julliezullen bijvallend hebben
zijzullen bijvallend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou bijvallen
jijzou bijvallen
hij/zij/hetzou bijvallen
wijzouden bijvallen
julliezouden bijvallen
zijzouden bijvallen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou bijvallend hebben
jijzou bijvallend hebben
hij/zij/hetzou bijvallend hebben
wijzouden bijvallend hebben
julliezouden bijvallend hebben
zijzouden bijvallend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het bijvallen
jijbent aan het bijvallen
hij/zij/hetis aan het bijvallen
wijzijn aan het bijvallen
julliezijn aan het bijvallen
zijzijn aan het bijvallen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het bijvallen
jijwas aan het bijvallen
hij/zij/hetwas aan het bijvallen
wijwaren aan het bijvallen
julliewaren aan het bijvallen
zijwaren aan het bijvallen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbijvall
jijbijvall
hij/zij/hetbijvall
wijbijvall
julliebijvall
zijbijvall

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0