FlexiVerb

Dutch Verb

binnenvallen

to drop in (especially unannounced) · to invade

takes hebbenstrongregular

Infinitive

binnenvallen

Past Participle

binnenvallend

Pres. Participle

binnenvallend

Imperative

val binnen / valt binnen

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikval binnen
jijvalt binnen
hij/zij/hetvalt binnen
wijvallen binnen
jullievallen binnen
zijvallen binnen

Verleden tijd

Simple Past

ikviel binnen
jijviel binnen
hij/zij/hetviel binnen
wijvielen binnen
jullievielen binnen
zijvielen binnen

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb binnenvallend
jijhebt binnenvallend
hij/zij/hetheeft binnenvallend
wijhebben binnenvallend
julliehebben binnenvallend
zijhebben binnenvallend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad binnenvallend
jijhad binnenvallend
hij/zij/hethad binnenvallend
wijhadden binnenvallend
julliehadden binnenvallend
zijhadden binnenvallend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal binnenvallen
jijzal binnenvallen
hij/zij/hetzal binnenvallen
wijzullen binnenvallen
julliezullen binnenvallen
zijzullen binnenvallen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal binnenvallend hebben
jijzal binnenvallend hebben
hij/zij/hetzal binnenvallend hebben
wijzullen binnenvallend hebben
julliezullen binnenvallend hebben
zijzullen binnenvallend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou binnenvallen
jijzou binnenvallen
hij/zij/hetzou binnenvallen
wijzouden binnenvallen
julliezouden binnenvallen
zijzouden binnenvallen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou binnenvallend hebben
jijzou binnenvallend hebben
hij/zij/hetzou binnenvallend hebben
wijzouden binnenvallend hebben
julliezouden binnenvallend hebben
zijzouden binnenvallend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het binnenvallen
jijbent aan het binnenvallen
hij/zij/hetis aan het binnenvallen
wijzijn aan het binnenvallen
julliezijn aan het binnenvallen
zijzijn aan het binnenvallen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het binnenvallen
jijwas aan het binnenvallen
hij/zij/hetwas aan het binnenvallen
wijwaren aan het binnenvallen
julliewaren aan het binnenvallen
zijwaren aan het binnenvallen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikbinnenvall
jijbinnenvall
hij/zij/hetbinnenvall
wijbinnenvall
julliebinnenvall
zijbinnenvall

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0