Dutch Verb
blozen
to blush, to flush
takes hebbenstrongregular
Infinitive
blozen
Past Participle
blozend
Pres. Participle
blozend
Imperative
bloos / bloost
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbloos
jijbloost
hij/zij/hetbloost
wijblozen
jullieblozen
zijblozen
Verleden tijd
Simple Past
ikbloosde
jijbloosde
hij/zij/hetbloosde
wijbloosden
julliebloosden
zijbloosden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb blozend
jijhebt blozend
hij/zij/hetheeft blozend
wijhebben blozend
julliehebben blozend
zijhebben blozend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad blozend
jijhad blozend
hij/zij/hethad blozend
wijhadden blozend
julliehadden blozend
zijhadden blozend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal blozen
jijzal blozen
hij/zij/hetzal blozen
wijzullen blozen
julliezullen blozen
zijzullen blozen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal blozend hebben
jijzal blozend hebben
hij/zij/hetzal blozend hebben
wijzullen blozend hebben
julliezullen blozend hebben
zijzullen blozend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou blozen
jijzou blozen
hij/zij/hetzou blozen
wijzouden blozen
julliezouden blozen
zijzouden blozen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou blozend hebben
jijzou blozend hebben
hij/zij/hetzou blozend hebben
wijzouden blozend hebben
julliezouden blozend hebben
zijzouden blozend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het blozen
jijbent aan het blozen
hij/zij/hetis aan het blozen
wijzijn aan het blozen
julliezijn aan het blozen
zijzijn aan het blozen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het blozen
jijwas aan het blozen
hij/zij/hetwas aan het blozen
wijwaren aan het blozen
julliewaren aan het blozen
zijwaren aan het blozen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbloz
jijbloz
hij/zij/hetbloz
wijbloz
julliebloz
zijbloz
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0