FlexiVerb

Dutch Verb

boeten

to pay for something as punishment; to suffer consequences · to expiate

takes hebbenstrongregular

Infinitive

boeten

Past Participle

boetend

Pres. Participle

boetend

Imperative

boet / boet

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikboet
jijboet
hij/zij/hetboet
wijboeten
jullieboeten
zijboeten

Verleden tijd

Simple Past

ikboette
jijboette
hij/zij/hetboette
wijboetten
jullieboetten
zijboetten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb boetend
jijhebt boetend
hij/zij/hetheeft boetend
wijhebben boetend
julliehebben boetend
zijhebben boetend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad boetend
jijhad boetend
hij/zij/hethad boetend
wijhadden boetend
julliehadden boetend
zijhadden boetend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal boeten
jijzal boeten
hij/zij/hetzal boeten
wijzullen boeten
julliezullen boeten
zijzullen boeten

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal boetend hebben
jijzal boetend hebben
hij/zij/hetzal boetend hebben
wijzullen boetend hebben
julliezullen boetend hebben
zijzullen boetend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou boeten
jijzou boeten
hij/zij/hetzou boeten
wijzouden boeten
julliezouden boeten
zijzouden boeten

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou boetend hebben
jijzou boetend hebben
hij/zij/hetzou boetend hebben
wijzouden boetend hebben
julliezouden boetend hebben
zijzouden boetend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het boeten
jijbent aan het boeten
hij/zij/hetis aan het boeten
wijzijn aan het boeten
julliezijn aan het boeten
zijzijn aan het boeten

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het boeten
jijwas aan het boeten
hij/zij/hetwas aan het boeten
wijwaren aan het boeten
julliewaren aan het boeten
zijwaren aan het boeten
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikboet
jijboet
hij/zij/hetboet
wijboet
jullieboet
zijboet

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0