Dutch Verb
braken
to vomit · to be busy
takes hebbenstrongregular
Infinitive
braken
Past Participle
brakend
Pres. Participle
brakend
Imperative
braak / braakt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbraak
jijbraakt
hij/zij/hetbraakt
wijbraken
julliebraken
zijbraken
Verleden tijd
Simple Past
ikbraakte
jijbraakte
hij/zij/hetbraakte
wijbraakten
julliebraakten
zijbraakten
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb brakend
jijhebt brakend
hij/zij/hetheeft brakend
wijhebben brakend
julliehebben brakend
zijhebben brakend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad brakend
jijhad brakend
hij/zij/hethad brakend
wijhadden brakend
julliehadden brakend
zijhadden brakend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal braken
jijzal braken
hij/zij/hetzal braken
wijzullen braken
julliezullen braken
zijzullen braken
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal brakend hebben
jijzal brakend hebben
hij/zij/hetzal brakend hebben
wijzullen brakend hebben
julliezullen brakend hebben
zijzullen brakend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou braken
jijzou braken
hij/zij/hetzou braken
wijzouden braken
julliezouden braken
zijzouden braken
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou brakend hebben
jijzou brakend hebben
hij/zij/hetzou brakend hebben
wijzouden brakend hebben
julliezouden brakend hebben
zijzouden brakend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het braken
jijbent aan het braken
hij/zij/hetis aan het braken
wijzijn aan het braken
julliezijn aan het braken
zijzijn aan het braken
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het braken
jijwas aan het braken
hij/zij/hetwas aan het braken
wijwaren aan het braken
julliewaren aan het braken
zijwaren aan het braken
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbrak
jijbrak
hij/zij/hetbrak
wijbrak
julliebrak
zijbrak
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0