Dutch Verb
brandschilderen
to stain glass
takes hebbenstrongregular
Infinitive
brandschilderen
Past Participle
brandschilderend
Pres. Participle
brandschilderend
Imperative
brandschilder / brandschildert
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbrandschilder
jijbrandschildert
hij/zij/hetbrandschildert
wijbrandschilderen
julliebrandschilderen
zijbrandschilderen
Verleden tijd
Simple Past
ikbrandschilderde
jijbrandschilderde
hij/zij/hetbrandschilderde
wijbrandschilderden
julliebrandschilderden
zijbrandschilderden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb brandschilderend
jijhebt brandschilderend
hij/zij/hetheeft brandschilderend
wijhebben brandschilderend
julliehebben brandschilderend
zijhebben brandschilderend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad brandschilderend
jijhad brandschilderend
hij/zij/hethad brandschilderend
wijhadden brandschilderend
julliehadden brandschilderend
zijhadden brandschilderend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal brandschilderen
jijzal brandschilderen
hij/zij/hetzal brandschilderen
wijzullen brandschilderen
julliezullen brandschilderen
zijzullen brandschilderen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal brandschilderend hebben
jijzal brandschilderend hebben
hij/zij/hetzal brandschilderend hebben
wijzullen brandschilderend hebben
julliezullen brandschilderend hebben
zijzullen brandschilderend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou brandschilderen
jijzou brandschilderen
hij/zij/hetzou brandschilderen
wijzouden brandschilderen
julliezouden brandschilderen
zijzouden brandschilderen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou brandschilderend hebben
jijzou brandschilderend hebben
hij/zij/hetzou brandschilderend hebben
wijzouden brandschilderend hebben
julliezouden brandschilderend hebben
zijzouden brandschilderend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het brandschilderen
jijbent aan het brandschilderen
hij/zij/hetis aan het brandschilderen
wijzijn aan het brandschilderen
julliezijn aan het brandschilderen
zijzijn aan het brandschilderen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het brandschilderen
jijwas aan het brandschilderen
hij/zij/hetwas aan het brandschilderen
wijwaren aan het brandschilderen
julliewaren aan het brandschilderen
zijwaren aan het brandschilderen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbrandschilder
jijbrandschilder
hij/zij/hetbrandschilder
wijbrandschilder
julliebrandschilder
zijbrandschilder
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0