Dutch Verb
broeden
to breed (especially by birds or oviparous animals) · to brood (keep an egg warm)
takes hebbenstrongregular
Infinitive
broeden
Past Participle
broedend
Pres. Participle
broedend
Imperative
broed / broedt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikbroed
jijbroedt
hij/zij/hetbroedt
wijbroeden
julliebroeden
zijbroeden
Verleden tijd
Simple Past
ikbroedde
jijbroedde
hij/zij/hetbroedde
wijbroedden
julliebroedden
zijbroedden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb broedend
jijhebt broedend
hij/zij/hetheeft broedend
wijhebben broedend
julliehebben broedend
zijhebben broedend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad broedend
jijhad broedend
hij/zij/hethad broedend
wijhadden broedend
julliehadden broedend
zijhadden broedend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal broeden
jijzal broeden
hij/zij/hetzal broeden
wijzullen broeden
julliezullen broeden
zijzullen broeden
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal broedend hebben
jijzal broedend hebben
hij/zij/hetzal broedend hebben
wijzullen broedend hebben
julliezullen broedend hebben
zijzullen broedend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou broeden
jijzou broeden
hij/zij/hetzou broeden
wijzouden broeden
julliezouden broeden
zijzouden broeden
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou broedend hebben
jijzou broedend hebben
hij/zij/hetzou broedend hebben
wijzouden broedend hebben
julliezouden broedend hebben
zijzouden broedend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het broeden
jijbent aan het broeden
hij/zij/hetis aan het broeden
wijzijn aan het broeden
julliezijn aan het broeden
zijzijn aan het broeden
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het broeden
jijwas aan het broeden
hij/zij/hetwas aan het broeden
wijwaren aan het broeden
julliewaren aan het broeden
zijwaren aan het broeden
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikbroed
jijbroed
hij/zij/hetbroed
wijbroed
julliebroed
zijbroed
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0