FlexiVerb

Dutch Verb

dealen

to sell drugs

takes hebbenstrongregular

Infinitive

dealen

Past Participle

dealend

Pres. Participle

dealend

Imperative

deal / dealt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikdeal
jijdealt
hij/zij/hetdealt
wijdealen
julliedealen
zijdealen

Verleden tijd

Simple Past

ikdealde
jijdealde
hij/zij/hetdealde
wijdealden
julliedealden
zijdealden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb dealend
jijhebt dealend
hij/zij/hetheeft dealend
wijhebben dealend
julliehebben dealend
zijhebben dealend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad dealend
jijhad dealend
hij/zij/hethad dealend
wijhadden dealend
julliehadden dealend
zijhadden dealend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal dealen
jijzal dealen
hij/zij/hetzal dealen
wijzullen dealen
julliezullen dealen
zijzullen dealen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal dealend hebben
jijzal dealend hebben
hij/zij/hetzal dealend hebben
wijzullen dealend hebben
julliezullen dealend hebben
zijzullen dealend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou dealen
jijzou dealen
hij/zij/hetzou dealen
wijzouden dealen
julliezouden dealen
zijzouden dealen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou dealend hebben
jijzou dealend hebben
hij/zij/hetzou dealend hebben
wijzouden dealend hebben
julliezouden dealend hebben
zijzouden dealend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het dealen
jijbent aan het dealen
hij/zij/hetis aan het dealen
wijzijn aan het dealen
julliezijn aan het dealen
zijzijn aan het dealen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het dealen
jijwas aan het dealen
hij/zij/hetwas aan het dealen
wijwaren aan het dealen
julliewaren aan het dealen
zijwaren aan het dealen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikdeal
jijdeal
hij/zij/hetdeal
wijdeal
julliedeal
zijdeal

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0