FlexiVerb

Dutch Verb

differentiëren

to differentiate, to show a distinction · to differentiate (calculate a derivative)

takes hebbenstrongregular

Infinitive

differentiëren

Past Participle

differentiërend

Pres. Participle

differentiërend

Imperative

differentieer / differentieert

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikdifferentieer
jijdifferentieert
hij/zij/hetdifferentieert
wijdifferentiëren
julliedifferentiëren
zijdifferentiëren

Verleden tijd

Simple Past

ikdifferentieerde
jijdifferentieerde
hij/zij/hetdifferentieerde
wijdifferentieerden
julliedifferentieerden
zijdifferentieerden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb differentiërend
jijhebt differentiërend
hij/zij/hetheeft differentiërend
wijhebben differentiërend
julliehebben differentiërend
zijhebben differentiërend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad differentiërend
jijhad differentiërend
hij/zij/hethad differentiërend
wijhadden differentiërend
julliehadden differentiërend
zijhadden differentiërend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal differentiëren
jijzal differentiëren
hij/zij/hetzal differentiëren
wijzullen differentiëren
julliezullen differentiëren
zijzullen differentiëren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal differentiërend hebben
jijzal differentiërend hebben
hij/zij/hetzal differentiërend hebben
wijzullen differentiërend hebben
julliezullen differentiërend hebben
zijzullen differentiërend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou differentiëren
jijzou differentiëren
hij/zij/hetzou differentiëren
wijzouden differentiëren
julliezouden differentiëren
zijzouden differentiëren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou differentiërend hebben
jijzou differentiërend hebben
hij/zij/hetzou differentiërend hebben
wijzouden differentiërend hebben
julliezouden differentiërend hebben
zijzouden differentiërend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het differentiëren
jijbent aan het differentiëren
hij/zij/hetis aan het differentiëren
wijzijn aan het differentiëren
julliezijn aan het differentiëren
zijzijn aan het differentiëren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het differentiëren
jijwas aan het differentiëren
hij/zij/hetwas aan het differentiëren
wijwaren aan het differentiëren
julliewaren aan het differentiëren
zijwaren aan het differentiëren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikdifferentiër
jijdifferentiër
hij/zij/hetdifferentiër
wijdifferentiër
julliedifferentiër
zijdifferentiër

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0