FlexiVerb

Dutch Verb

dineren

to have a meal in the evening · to dine, to have dinner

takes hebbenstrongregular

Infinitive

dineren

Past Participle

dinerend

Pres. Participle

dinerend

Imperative

dineer / dineert

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikdineer
jijdineert
hij/zij/hetdineert
wijdineren
julliedineren
zijdineren

Verleden tijd

Simple Past

ikdineerde
jijdineerde
hij/zij/hetdineerde
wijdineerden
julliedineerden
zijdineerden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb dinerend
jijhebt dinerend
hij/zij/hetheeft dinerend
wijhebben dinerend
julliehebben dinerend
zijhebben dinerend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad dinerend
jijhad dinerend
hij/zij/hethad dinerend
wijhadden dinerend
julliehadden dinerend
zijhadden dinerend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal dineren
jijzal dineren
hij/zij/hetzal dineren
wijzullen dineren
julliezullen dineren
zijzullen dineren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal dinerend hebben
jijzal dinerend hebben
hij/zij/hetzal dinerend hebben
wijzullen dinerend hebben
julliezullen dinerend hebben
zijzullen dinerend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou dineren
jijzou dineren
hij/zij/hetzou dineren
wijzouden dineren
julliezouden dineren
zijzouden dineren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou dinerend hebben
jijzou dinerend hebben
hij/zij/hetzou dinerend hebben
wijzouden dinerend hebben
julliezouden dinerend hebben
zijzouden dinerend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het dineren
jijbent aan het dineren
hij/zij/hetis aan het dineren
wijzijn aan het dineren
julliezijn aan het dineren
zijzijn aan het dineren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het dineren
jijwas aan het dineren
hij/zij/hetwas aan het dineren
wijwaren aan het dineren
julliewaren aan het dineren
zijwaren aan het dineren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikdiner
jijdiner
hij/zij/hetdiner
wijdiner
julliediner
zijdiner

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0