Dutch Verb
doezelen
to doze
takes hebbenstrongregular
Infinitive
doezelen
Past Participle
doezelend
Pres. Participle
doezelend
Imperative
doezel / doezelt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikdoezel
jijdoezelt
hij/zij/hetdoezelt
wijdoezelen
julliedoezelen
zijdoezelen
Verleden tijd
Simple Past
ikdoezelde
jijdoezelde
hij/zij/hetdoezelde
wijdoezelden
julliedoezelden
zijdoezelden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb doezelend
jijhebt doezelend
hij/zij/hetheeft doezelend
wijhebben doezelend
julliehebben doezelend
zijhebben doezelend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad doezelend
jijhad doezelend
hij/zij/hethad doezelend
wijhadden doezelend
julliehadden doezelend
zijhadden doezelend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal doezelen
jijzal doezelen
hij/zij/hetzal doezelen
wijzullen doezelen
julliezullen doezelen
zijzullen doezelen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal doezelend hebben
jijzal doezelend hebben
hij/zij/hetzal doezelend hebben
wijzullen doezelend hebben
julliezullen doezelend hebben
zijzullen doezelend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou doezelen
jijzou doezelen
hij/zij/hetzou doezelen
wijzouden doezelen
julliezouden doezelen
zijzouden doezelen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou doezelend hebben
jijzou doezelend hebben
hij/zij/hetzou doezelend hebben
wijzouden doezelend hebben
julliezouden doezelend hebben
zijzouden doezelend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het doezelen
jijbent aan het doezelen
hij/zij/hetis aan het doezelen
wijzijn aan het doezelen
julliezijn aan het doezelen
zijzijn aan het doezelen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het doezelen
jijwas aan het doezelen
hij/zij/hetwas aan het doezelen
wijwaren aan het doezelen
julliewaren aan het doezelen
zijwaren aan het doezelen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikdoezel
jijdoezel
hij/zij/hetdoezel
wijdoezel
julliedoezel
zijdoezel
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0