FlexiVerb

Dutch Verb

dolen

to wander, to roam

takes hebbenstrongregular

Infinitive

dolen

Past Participle

dolend

Pres. Participle

dolend

Imperative

dool / doolt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikdool
jijdoolt
hij/zij/hetdoolt
wijdolen
julliedolen
zijdolen

Verleden tijd

Simple Past

ikdoolde
jijdoolde
hij/zij/hetdoolde
wijdoolden
julliedoolden
zijdoolden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb dolend
jijhebt dolend
hij/zij/hetheeft dolend
wijhebben dolend
julliehebben dolend
zijhebben dolend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad dolend
jijhad dolend
hij/zij/hethad dolend
wijhadden dolend
julliehadden dolend
zijhadden dolend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal dolen
jijzal dolen
hij/zij/hetzal dolen
wijzullen dolen
julliezullen dolen
zijzullen dolen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal dolend hebben
jijzal dolend hebben
hij/zij/hetzal dolend hebben
wijzullen dolend hebben
julliezullen dolend hebben
zijzullen dolend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou dolen
jijzou dolen
hij/zij/hetzou dolen
wijzouden dolen
julliezouden dolen
zijzouden dolen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou dolend hebben
jijzou dolend hebben
hij/zij/hetzou dolend hebben
wijzouden dolend hebben
julliezouden dolend hebben
zijzouden dolend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het dolen
jijbent aan het dolen
hij/zij/hetis aan het dolen
wijzijn aan het dolen
julliezijn aan het dolen
zijzijn aan het dolen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het dolen
jijwas aan het dolen
hij/zij/hetwas aan het dolen
wijwaren aan het dolen
julliewaren aan het dolen
zijwaren aan het dolen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikdol
jijdol
hij/zij/hetdol
wijdol
julliedol
zijdol

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0