FlexiVerb

Dutch Verb

doorbladeren

to leaf through

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

doorbladeren

Past Participle

doorbladerend

Pres. Participle

doorbladerend

Imperative

blader door / bladert door

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikblader door
jijbladert door
hij/zij/hetbladert door
wijbladeren door
julliebladeren door
zijbladeren door

Verleden tijd

Simple Past

ikbladerde door
jijbladerde door
hij/zij/hetbladerde door
wijbladerden door
julliebladerden door
zijbladerden door

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb doorbladerend
jijhebt doorbladerend
hij/zij/hetheeft doorbladerend
wijhebben doorbladerend
julliehebben doorbladerend
zijhebben doorbladerend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad doorbladerend
jijhad doorbladerend
hij/zij/hethad doorbladerend
wijhadden doorbladerend
julliehadden doorbladerend
zijhadden doorbladerend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal doorbladeren
jijzal doorbladeren
hij/zij/hetzal doorbladeren
wijzullen doorbladeren
julliezullen doorbladeren
zijzullen doorbladeren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal doorbladerend hebben
jijzal doorbladerend hebben
hij/zij/hetzal doorbladerend hebben
wijzullen doorbladerend hebben
julliezullen doorbladerend hebben
zijzullen doorbladerend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou doorbladeren
jijzou doorbladeren
hij/zij/hetzou doorbladeren
wijzouden doorbladeren
julliezouden doorbladeren
zijzouden doorbladeren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou doorbladerend hebben
jijzou doorbladerend hebben
hij/zij/hetzou doorbladerend hebben
wijzouden doorbladerend hebben
julliezouden doorbladerend hebben
zijzouden doorbladerend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het doorbladeren
jijbent aan het doorbladeren
hij/zij/hetis aan het doorbladeren
wijzijn aan het doorbladeren
julliezijn aan het doorbladeren
zijzijn aan het doorbladeren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het doorbladeren
jijwas aan het doorbladeren
hij/zij/hetwas aan het doorbladeren
wijwaren aan het doorbladeren
julliewaren aan het doorbladeren
zijwaren aan het doorbladeren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikdoorblader
jijdoorblader
hij/zij/hetdoorblader
wijdoorblader
julliedoorblader
zijdoorblader

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0