FlexiVerb

Dutch Verb

draaien

to turn, to turn round · to play (a record, CD, song, etc.) · to input into a telephone, to call (a phone number) · to run or throw (a party)

takes hebbenstrongregular

Infinitive

draaien

Past Participle

draaiend

Pres. Participle

draaiend

Imperative

draai / draait

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikdraai
jijdraait
hij/zij/hetdraait
wijdraaien
julliedraaien
zijdraaien

Verleden tijd

Simple Past

ikdraaide
jijdraaide
hij/zij/hetdraaide
wijdraaiden
julliedraaiden
zijdraaiden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb draaiend
jijhebt draaiend
hij/zij/hetheeft draaiend
wijhebben draaiend
julliehebben draaiend
zijhebben draaiend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad draaiend
jijhad draaiend
hij/zij/hethad draaiend
wijhadden draaiend
julliehadden draaiend
zijhadden draaiend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal draaien
jijzal draaien
hij/zij/hetzal draaien
wijzullen draaien
julliezullen draaien
zijzullen draaien

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal draaiend hebben
jijzal draaiend hebben
hij/zij/hetzal draaiend hebben
wijzullen draaiend hebben
julliezullen draaiend hebben
zijzullen draaiend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou draaien
jijzou draaien
hij/zij/hetzou draaien
wijzouden draaien
julliezouden draaien
zijzouden draaien

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou draaiend hebben
jijzou draaiend hebben
hij/zij/hetzou draaiend hebben
wijzouden draaiend hebben
julliezouden draaiend hebben
zijzouden draaiend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het draaien
jijbent aan het draaien
hij/zij/hetis aan het draaien
wijzijn aan het draaien
julliezijn aan het draaien
zijzijn aan het draaien

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het draaien
jijwas aan het draaien
hij/zij/hetwas aan het draaien
wijwaren aan het draaien
julliewaren aan het draaien
zijwaren aan het draaien
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikdraai
jijdraai
hij/zij/hetdraai
wijdraai
julliedraai
zijdraai

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0