FlexiVerb

Dutch Verb

formuleren

to formulate

takes hebbenstrongregular

Infinitive

formuleren

Past Participle

formulerend

Pres. Participle

formulerend

Imperative

formuleer / formuleert

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikformuleer
jijformuleert
hij/zij/hetformuleert
wijformuleren
jullieformuleren
zijformuleren

Verleden tijd

Simple Past

ikformuleerde
jijformuleerde
hij/zij/hetformuleerde
wijformuleerden
jullieformuleerden
zijformuleerden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb formulerend
jijhebt formulerend
hij/zij/hetheeft formulerend
wijhebben formulerend
julliehebben formulerend
zijhebben formulerend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad formulerend
jijhad formulerend
hij/zij/hethad formulerend
wijhadden formulerend
julliehadden formulerend
zijhadden formulerend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal formuleren
jijzal formuleren
hij/zij/hetzal formuleren
wijzullen formuleren
julliezullen formuleren
zijzullen formuleren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal formulerend hebben
jijzal formulerend hebben
hij/zij/hetzal formulerend hebben
wijzullen formulerend hebben
julliezullen formulerend hebben
zijzullen formulerend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou formuleren
jijzou formuleren
hij/zij/hetzou formuleren
wijzouden formuleren
julliezouden formuleren
zijzouden formuleren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou formulerend hebben
jijzou formulerend hebben
hij/zij/hetzou formulerend hebben
wijzouden formulerend hebben
julliezouden formulerend hebben
zijzouden formulerend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het formuleren
jijbent aan het formuleren
hij/zij/hetis aan het formuleren
wijzijn aan het formuleren
julliezijn aan het formuleren
zijzijn aan het formuleren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het formuleren
jijwas aan het formuleren
hij/zij/hetwas aan het formuleren
wijwaren aan het formuleren
julliewaren aan het formuleren
zijwaren aan het formuleren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikformuler
jijformuler
hij/zij/hetformuler
wijformuler
jullieformuler
zijformuler

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0