FlexiVerb

Dutch Verb

gelieven

to please, to delight · to enjoy, love

takes hebbenweak

Infinitive

gelieven

Past Participle

gelievend

Pres. Participle

gelievend

Imperative

gelief / gelieft

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikgelief
jijgelieft
hij/zij/hetgelieft
wijgelieven
julliegelieven
zijgelieven

Verleden tijd

Simple Past

ikgeliefde
jijgeliefde
hij/zij/hetgeliefde
wijgeliefden
julliegeliefden
zijgeliefden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb gelievend
jijhebt gelievend
hij/zij/hetheeft gelievend
wijhebben gelievend
julliehebben gelievend
zijhebben gelievend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad gelievend
jijhad gelievend
hij/zij/hethad gelievend
wijhadden gelievend
julliehadden gelievend
zijhadden gelievend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal gelieven
jijzal gelieven
hij/zij/hetzal gelieven
wijzullen gelieven
julliezullen gelieven
zijzullen gelieven

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal gelievend hebben
jijzal gelievend hebben
hij/zij/hetzal gelievend hebben
wijzullen gelievend hebben
julliezullen gelievend hebben
zijzullen gelievend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou gelieven
jijzou gelieven
hij/zij/hetzou gelieven
wijzouden gelieven
julliezouden gelieven
zijzouden gelieven

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou gelievend hebben
jijzou gelievend hebben
hij/zij/hetzou gelievend hebben
wijzouden gelievend hebben
julliezouden gelievend hebben
zijzouden gelievend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het gelieven
jijbent aan het gelieven
hij/zij/hetis aan het gelieven
wijzijn aan het gelieven
julliezijn aan het gelieven
zijzijn aan het gelieven

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het gelieven
jijwas aan het gelieven
hij/zij/hetwas aan het gelieven
wijwaren aan het gelieven
julliewaren aan het gelieven
zijwaren aan het gelieven
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikgeliev
jijgeliev
hij/zij/hetgeliev
wijgeliev
julliegeliev
zijgeliev

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0