Dutch Verb
gelijken
to resemble
takes hebbenweak
Infinitive
gelijken
Past Participle
gelijkend
Pres. Participle
gelijkend
Imperative
gelijk / gelijkt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikgelijk
jijgelijkt
hij/zij/hetgelijkt
wijgelijken
julliegelijken
zijgelijken
Verleden tijd
Simple Past
ikgeleek
jijgeleek
hij/zij/hetgeleek
wijgeleken
julliegeleken
zijgeleken
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb gelijkend
jijhebt gelijkend
hij/zij/hetheeft gelijkend
wijhebben gelijkend
julliehebben gelijkend
zijhebben gelijkend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad gelijkend
jijhad gelijkend
hij/zij/hethad gelijkend
wijhadden gelijkend
julliehadden gelijkend
zijhadden gelijkend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal gelijken
jijzal gelijken
hij/zij/hetzal gelijken
wijzullen gelijken
julliezullen gelijken
zijzullen gelijken
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal gelijkend hebben
jijzal gelijkend hebben
hij/zij/hetzal gelijkend hebben
wijzullen gelijkend hebben
julliezullen gelijkend hebben
zijzullen gelijkend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou gelijken
jijzou gelijken
hij/zij/hetzou gelijken
wijzouden gelijken
julliezouden gelijken
zijzouden gelijken
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou gelijkend hebben
jijzou gelijkend hebben
hij/zij/hetzou gelijkend hebben
wijzouden gelijkend hebben
julliezouden gelijkend hebben
zijzouden gelijkend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het gelijken
jijbent aan het gelijken
hij/zij/hetis aan het gelijken
wijzijn aan het gelijken
julliezijn aan het gelijken
zijzijn aan het gelijken
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het gelijken
jijwas aan het gelijken
hij/zij/hetwas aan het gelijken
wijwaren aan het gelijken
julliewaren aan het gelijken
zijwaren aan het gelijken
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikgelijk
jijgelijk
hij/zij/hetgelijk
wijgelijk
julliegelijk
zijgelijk
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0