Dutch Verb
goedkeuren
to approve, to confirm, to endorse
takes hebbenstrongregular
Infinitive
goedkeuren
Past Participle
goedkeurend
Pres. Participle
goedkeurend
Imperative
keur goed / keurt goed
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikkeur goed
jijkeurt goed
hij/zij/hetkeurt goed
wijkeuren goed
julliekeuren goed
zijkeuren goed
Verleden tijd
Simple Past
ikkeurde goed
jijkeurde goed
hij/zij/hetkeurde goed
wijkeurden goed
julliekeurden goed
zijkeurden goed
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb goedkeurend
jijhebt goedkeurend
hij/zij/hetheeft goedkeurend
wijhebben goedkeurend
julliehebben goedkeurend
zijhebben goedkeurend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad goedkeurend
jijhad goedkeurend
hij/zij/hethad goedkeurend
wijhadden goedkeurend
julliehadden goedkeurend
zijhadden goedkeurend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal goedkeuren
jijzal goedkeuren
hij/zij/hetzal goedkeuren
wijzullen goedkeuren
julliezullen goedkeuren
zijzullen goedkeuren
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal goedkeurend hebben
jijzal goedkeurend hebben
hij/zij/hetzal goedkeurend hebben
wijzullen goedkeurend hebben
julliezullen goedkeurend hebben
zijzullen goedkeurend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou goedkeuren
jijzou goedkeuren
hij/zij/hetzou goedkeuren
wijzouden goedkeuren
julliezouden goedkeuren
zijzouden goedkeuren
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou goedkeurend hebben
jijzou goedkeurend hebben
hij/zij/hetzou goedkeurend hebben
wijzouden goedkeurend hebben
julliezouden goedkeurend hebben
zijzouden goedkeurend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het goedkeuren
jijbent aan het goedkeuren
hij/zij/hetis aan het goedkeuren
wijzijn aan het goedkeuren
julliezijn aan het goedkeuren
zijzijn aan het goedkeuren
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het goedkeuren
jijwas aan het goedkeuren
hij/zij/hetwas aan het goedkeuren
wijwaren aan het goedkeuren
julliewaren aan het goedkeuren
zijwaren aan het goedkeuren
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikgoedkeur
jijgoedkeur
hij/zij/hetgoedkeur
wijgoedkeur
julliegoedkeur
zijgoedkeur
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0