FlexiVerb

Dutch Verb

gorgelen

to gargle

takes hebbenstrongregular

Infinitive

gorgelen

Past Participle

gorgelend

Pres. Participle

gorgelend

Imperative

gorgel / gorgelt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikgorgel
jijgorgelt
hij/zij/hetgorgelt
wijgorgelen
julliegorgelen
zijgorgelen

Verleden tijd

Simple Past

ikgorgelde
jijgorgelde
hij/zij/hetgorgelde
wijgorgelden
julliegorgelden
zijgorgelden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb gorgelend
jijhebt gorgelend
hij/zij/hetheeft gorgelend
wijhebben gorgelend
julliehebben gorgelend
zijhebben gorgelend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad gorgelend
jijhad gorgelend
hij/zij/hethad gorgelend
wijhadden gorgelend
julliehadden gorgelend
zijhadden gorgelend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal gorgelen
jijzal gorgelen
hij/zij/hetzal gorgelen
wijzullen gorgelen
julliezullen gorgelen
zijzullen gorgelen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal gorgelend hebben
jijzal gorgelend hebben
hij/zij/hetzal gorgelend hebben
wijzullen gorgelend hebben
julliezullen gorgelend hebben
zijzullen gorgelend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou gorgelen
jijzou gorgelen
hij/zij/hetzou gorgelen
wijzouden gorgelen
julliezouden gorgelen
zijzouden gorgelen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou gorgelend hebben
jijzou gorgelend hebben
hij/zij/hetzou gorgelend hebben
wijzouden gorgelend hebben
julliezouden gorgelend hebben
zijzouden gorgelend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het gorgelen
jijbent aan het gorgelen
hij/zij/hetis aan het gorgelen
wijzijn aan het gorgelen
julliezijn aan het gorgelen
zijzijn aan het gorgelen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het gorgelen
jijwas aan het gorgelen
hij/zij/hetwas aan het gorgelen
wijwaren aan het gorgelen
julliewaren aan het gorgelen
zijwaren aan het gorgelen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikgorgel
jijgorgel
hij/zij/hetgorgel
wijgorgel
julliegorgel
zijgorgel

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0