FlexiVerb

Dutch Verb

ijsberen

to pace back and forth

takes hebbenstrongregular

Infinitive

ijsberen

Past Participle

ijsberend

Pres. Participle

ijsberend

Imperative

ijsbeer / ijsbeert

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikijsbeer
jijijsbeert
hij/zij/hetijsbeert
wijijsberen
jullieijsberen
zijijsberen

Verleden tijd

Simple Past

ikijsbeerde
jijijsbeerde
hij/zij/hetijsbeerde
wijijsbeerden
jullieijsbeerden
zijijsbeerden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb ijsberend
jijhebt ijsberend
hij/zij/hetheeft ijsberend
wijhebben ijsberend
julliehebben ijsberend
zijhebben ijsberend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad ijsberend
jijhad ijsberend
hij/zij/hethad ijsberend
wijhadden ijsberend
julliehadden ijsberend
zijhadden ijsberend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal ijsberen
jijzal ijsberen
hij/zij/hetzal ijsberen
wijzullen ijsberen
julliezullen ijsberen
zijzullen ijsberen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal ijsberend hebben
jijzal ijsberend hebben
hij/zij/hetzal ijsberend hebben
wijzullen ijsberend hebben
julliezullen ijsberend hebben
zijzullen ijsberend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou ijsberen
jijzou ijsberen
hij/zij/hetzou ijsberen
wijzouden ijsberen
julliezouden ijsberen
zijzouden ijsberen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou ijsberend hebben
jijzou ijsberend hebben
hij/zij/hetzou ijsberend hebben
wijzouden ijsberend hebben
julliezouden ijsberend hebben
zijzouden ijsberend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het ijsberen
jijbent aan het ijsberen
hij/zij/hetis aan het ijsberen
wijzijn aan het ijsberen
julliezijn aan het ijsberen
zijzijn aan het ijsberen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het ijsberen
jijwas aan het ijsberen
hij/zij/hetwas aan het ijsberen
wijwaren aan het ijsberen
julliewaren aan het ijsberen
zijwaren aan het ijsberen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikijsber
jijijsber
hij/zij/hetijsber
wijijsber
jullieijsber
zijijsber

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0