FlexiVerb

Dutch Verb

infecteren

to infect, bring into contact with a contagious germ causing illness · to contaminate, pass on (to ...) some undesirable idea, habit etc.

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

infecteren

Past Participle

infecterend

Pres. Participle

infecterend

Imperative

infecteer / infecteert

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikinfecteer
jijinfecteert
hij/zij/hetinfecteert
wijinfecteren
jullieinfecteren
zijinfecteren

Verleden tijd

Simple Past

ikinfecteerde
jijinfecteerde
hij/zij/hetinfecteerde
wijinfecteerden
jullieinfecteerden
zijinfecteerden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb infecterend
jijhebt infecterend
hij/zij/hetheeft infecterend
wijhebben infecterend
julliehebben infecterend
zijhebben infecterend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad infecterend
jijhad infecterend
hij/zij/hethad infecterend
wijhadden infecterend
julliehadden infecterend
zijhadden infecterend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal infecteren
jijzal infecteren
hij/zij/hetzal infecteren
wijzullen infecteren
julliezullen infecteren
zijzullen infecteren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal infecterend hebben
jijzal infecterend hebben
hij/zij/hetzal infecterend hebben
wijzullen infecterend hebben
julliezullen infecterend hebben
zijzullen infecterend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou infecteren
jijzou infecteren
hij/zij/hetzou infecteren
wijzouden infecteren
julliezouden infecteren
zijzouden infecteren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou infecterend hebben
jijzou infecterend hebben
hij/zij/hetzou infecterend hebben
wijzouden infecterend hebben
julliezouden infecterend hebben
zijzouden infecterend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het infecteren
jijbent aan het infecteren
hij/zij/hetis aan het infecteren
wijzijn aan het infecteren
julliezijn aan het infecteren
zijzijn aan het infecteren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het infecteren
jijwas aan het infecteren
hij/zij/hetwas aan het infecteren
wijwaren aan het infecteren
julliewaren aan het infecteren
zijwaren aan het infecteren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikinfecter
jijinfecter
hij/zij/hetinfecter
wijinfecter
jullieinfecter
zijinfecter

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0