FlexiVerb

Dutch Verb

ingaan

to enter, to go inside · to come into effect, to take effect · to go along with, to go into (a discussion, argument, request etc.) · to contradict, to go against

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

ingaan

Past Participle

ingaand

Pres. Participle

ingaand

Imperative

ga in / gaat in

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikga in
jijgaat in
hij/zij/hetgaat in
wijgaan in
julliegaan in
zijgaan in

Verleden tijd

Simple Past

ikging in
jijging in
hij/zij/hetging in
wijgingen in
julliegingen in
zijgingen in

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb ingaand
jijhebt ingaand
hij/zij/hetheeft ingaand
wijhebben ingaand
julliehebben ingaand
zijhebben ingaand

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad ingaand
jijhad ingaand
hij/zij/hethad ingaand
wijhadden ingaand
julliehadden ingaand
zijhadden ingaand

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal ingaan
jijzal ingaan
hij/zij/hetzal ingaan
wijzullen ingaan
julliezullen ingaan
zijzullen ingaan

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal ingaand hebben
jijzal ingaand hebben
hij/zij/hetzal ingaand hebben
wijzullen ingaand hebben
julliezullen ingaand hebben
zijzullen ingaand hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou ingaan
jijzou ingaan
hij/zij/hetzou ingaan
wijzouden ingaan
julliezouden ingaan
zijzouden ingaan

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou ingaand hebben
jijzou ingaand hebben
hij/zij/hetzou ingaand hebben
wijzouden ingaand hebben
julliezouden ingaand hebben
zijzouden ingaand hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het ingaan
jijbent aan het ingaan
hij/zij/hetis aan het ingaan
wijzijn aan het ingaan
julliezijn aan het ingaan
zijzijn aan het ingaan

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het ingaan
jijwas aan het ingaan
hij/zij/hetwas aan het ingaan
wijwaren aan het ingaan
julliewaren aan het ingaan
zijwaren aan het ingaan
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikingaa
jijingaa
hij/zij/hetingaa
wijingaa
jullieingaa
zijingaa

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0