FlexiVerb

Dutch Verb

ingrijpen

to intervene

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

ingrijpen

Past Participle

ingrijpend

Pres. Participle

ingrijpend

Imperative

grijp in / grijpt in

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikgrijp in
jijgrijpt in
hij/zij/hetgrijpt in
wijgrijpen in
julliegrijpen in
zijgrijpen in

Verleden tijd

Simple Past

ikgreep in
jijgreep in
hij/zij/hetgreep in
wijgrepen in
julliegrepen in
zijgrepen in

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb ingrijpend
jijhebt ingrijpend
hij/zij/hetheeft ingrijpend
wijhebben ingrijpend
julliehebben ingrijpend
zijhebben ingrijpend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad ingrijpend
jijhad ingrijpend
hij/zij/hethad ingrijpend
wijhadden ingrijpend
julliehadden ingrijpend
zijhadden ingrijpend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal ingrijpen
jijzal ingrijpen
hij/zij/hetzal ingrijpen
wijzullen ingrijpen
julliezullen ingrijpen
zijzullen ingrijpen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal ingrijpend hebben
jijzal ingrijpend hebben
hij/zij/hetzal ingrijpend hebben
wijzullen ingrijpend hebben
julliezullen ingrijpend hebben
zijzullen ingrijpend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou ingrijpen
jijzou ingrijpen
hij/zij/hetzou ingrijpen
wijzouden ingrijpen
julliezouden ingrijpen
zijzouden ingrijpen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou ingrijpend hebben
jijzou ingrijpend hebben
hij/zij/hetzou ingrijpend hebben
wijzouden ingrijpend hebben
julliezouden ingrijpend hebben
zijzouden ingrijpend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het ingrijpen
jijbent aan het ingrijpen
hij/zij/hetis aan het ingrijpen
wijzijn aan het ingrijpen
julliezijn aan het ingrijpen
zijzijn aan het ingrijpen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het ingrijpen
jijwas aan het ingrijpen
hij/zij/hetwas aan het ingrijpen
wijwaren aan het ingrijpen
julliewaren aan het ingrijpen
zijwaren aan het ingrijpen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikingrijp
jijingrijp
hij/zij/hetingrijp
wijingrijp
jullieingrijp
zijingrijp

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0