FlexiVerb

Dutch Verb

inspannen

to put horses, ponies, donkeys or oxen in front of a cart or carriage · to exert (to put in vigorous action)

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

inspannen

Past Participle

inspannend

Pres. Participle

inspannend

Imperative

span in / spant in

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikspan in
jijspant in
hij/zij/hetspant in
wijspannen in
julliespannen in
zijspannen in

Verleden tijd

Simple Past

ikspande in
jijspande in
hij/zij/hetspande in
wijspanden in
julliespanden in
zijspanden in

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb inspannend
jijhebt inspannend
hij/zij/hetheeft inspannend
wijhebben inspannend
julliehebben inspannend
zijhebben inspannend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad inspannend
jijhad inspannend
hij/zij/hethad inspannend
wijhadden inspannend
julliehadden inspannend
zijhadden inspannend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal inspannen
jijzal inspannen
hij/zij/hetzal inspannen
wijzullen inspannen
julliezullen inspannen
zijzullen inspannen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal inspannend hebben
jijzal inspannend hebben
hij/zij/hetzal inspannend hebben
wijzullen inspannend hebben
julliezullen inspannend hebben
zijzullen inspannend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou inspannen
jijzou inspannen
hij/zij/hetzou inspannen
wijzouden inspannen
julliezouden inspannen
zijzouden inspannen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou inspannend hebben
jijzou inspannend hebben
hij/zij/hetzou inspannend hebben
wijzouden inspannend hebben
julliezouden inspannend hebben
zijzouden inspannend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het inspannen
jijbent aan het inspannen
hij/zij/hetis aan het inspannen
wijzijn aan het inspannen
julliezijn aan het inspannen
zijzijn aan het inspannen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het inspannen
jijwas aan het inspannen
hij/zij/hetwas aan het inspannen
wijwaren aan het inspannen
julliewaren aan het inspannen
zijwaren aan het inspannen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikinspann
jijinspann
hij/zij/hetinspann
wijinspann
jullieinspann
zijinspann

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0