Dutch Verb
instorten
to collapse
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
instorten
Past Participle
instortend
Pres. Participle
instortend
Imperative
stort in / stort in
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikstort in
jijstort in
hij/zij/hetstort in
wijstorten in
julliestorten in
zijstorten in
Verleden tijd
Simple Past
ikstortte in
jijstortte in
hij/zij/hetstortte in
wijstortten in
julliestortten in
zijstortten in
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb instortend
jijhebt instortend
hij/zij/hetheeft instortend
wijhebben instortend
julliehebben instortend
zijhebben instortend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad instortend
jijhad instortend
hij/zij/hethad instortend
wijhadden instortend
julliehadden instortend
zijhadden instortend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal instorten
jijzal instorten
hij/zij/hetzal instorten
wijzullen instorten
julliezullen instorten
zijzullen instorten
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal instortend hebben
jijzal instortend hebben
hij/zij/hetzal instortend hebben
wijzullen instortend hebben
julliezullen instortend hebben
zijzullen instortend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou instorten
jijzou instorten
hij/zij/hetzou instorten
wijzouden instorten
julliezouden instorten
zijzouden instorten
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou instortend hebben
jijzou instortend hebben
hij/zij/hetzou instortend hebben
wijzouden instortend hebben
julliezouden instortend hebben
zijzouden instortend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het instorten
jijbent aan het instorten
hij/zij/hetis aan het instorten
wijzijn aan het instorten
julliezijn aan het instorten
zijzijn aan het instorten
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het instorten
jijwas aan het instorten
hij/zij/hetwas aan het instorten
wijwaren aan het instorten
julliewaren aan het instorten
zijwaren aan het instorten
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikinstort
jijinstort
hij/zij/hetinstort
wijinstort
jullieinstort
zijinstort
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0