FlexiVerb

Dutch Verb

interageren

to interact

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

interageren

Past Participle

interagerend

Pres. Participle

interagerend

Imperative

interageer / interageert

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikinterageer
jijinterageert
hij/zij/hetinterageert
wijinterageren
jullieinterageren
zijinterageren

Verleden tijd

Simple Past

ikinterageerde
jijinterageerde
hij/zij/hetinterageerde
wijinterageerden
jullieinterageerden
zijinterageerden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb interagerend
jijhebt interagerend
hij/zij/hetheeft interagerend
wijhebben interagerend
julliehebben interagerend
zijhebben interagerend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad interagerend
jijhad interagerend
hij/zij/hethad interagerend
wijhadden interagerend
julliehadden interagerend
zijhadden interagerend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal interageren
jijzal interageren
hij/zij/hetzal interageren
wijzullen interageren
julliezullen interageren
zijzullen interageren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal interagerend hebben
jijzal interagerend hebben
hij/zij/hetzal interagerend hebben
wijzullen interagerend hebben
julliezullen interagerend hebben
zijzullen interagerend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou interageren
jijzou interageren
hij/zij/hetzou interageren
wijzouden interageren
julliezouden interageren
zijzouden interageren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou interagerend hebben
jijzou interagerend hebben
hij/zij/hetzou interagerend hebben
wijzouden interagerend hebben
julliezouden interagerend hebben
zijzouden interagerend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het interageren
jijbent aan het interageren
hij/zij/hetis aan het interageren
wijzijn aan het interageren
julliezijn aan het interageren
zijzijn aan het interageren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het interageren
jijwas aan het interageren
hij/zij/hetwas aan het interageren
wijwaren aan het interageren
julliewaren aan het interageren
zijwaren aan het interageren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikinterager
jijinterager
hij/zij/hetinterager
wijinterager
jullieinterager
zijinterager

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0