Dutch Verb
intrappen
to kick in · to put in · to fall for, to be fooled by (a joke, prank, scam etc.)
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
intrappen
Past Participle
intrappend
Pres. Participle
intrappend
Imperative
trap in / trapt in
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
iktrap in
jijtrapt in
hij/zij/hettrapt in
wijtrappen in
jullietrappen in
zijtrappen in
Verleden tijd
Simple Past
iktrapte in
jijtrapte in
hij/zij/hettrapte in
wijtrapten in
jullietrapten in
zijtrapten in
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb intrappend
jijhebt intrappend
hij/zij/hetheeft intrappend
wijhebben intrappend
julliehebben intrappend
zijhebben intrappend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad intrappend
jijhad intrappend
hij/zij/hethad intrappend
wijhadden intrappend
julliehadden intrappend
zijhadden intrappend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal intrappen
jijzal intrappen
hij/zij/hetzal intrappen
wijzullen intrappen
julliezullen intrappen
zijzullen intrappen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal intrappend hebben
jijzal intrappend hebben
hij/zij/hetzal intrappend hebben
wijzullen intrappend hebben
julliezullen intrappend hebben
zijzullen intrappend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou intrappen
jijzou intrappen
hij/zij/hetzou intrappen
wijzouden intrappen
julliezouden intrappen
zijzouden intrappen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou intrappend hebben
jijzou intrappend hebben
hij/zij/hetzou intrappend hebben
wijzouden intrappend hebben
julliezouden intrappend hebben
zijzouden intrappend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het intrappen
jijbent aan het intrappen
hij/zij/hetis aan het intrappen
wijzijn aan het intrappen
julliezijn aan het intrappen
zijzijn aan het intrappen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het intrappen
jijwas aan het intrappen
hij/zij/hetwas aan het intrappen
wijwaren aan het intrappen
julliewaren aan het intrappen
zijwaren aan het intrappen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikintrapp
jijintrapp
hij/zij/hetintrapp
wijintrapp
jullieintrapp
zijintrapp
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0