FlexiVerb

Dutch Verb

joggen

to jog

takes hebbenstrongregular

Infinitive

joggen

Past Participle

joggend

Pres. Participle

joggend

Imperative

jog / jogt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikjog
jijjogt
hij/zij/hetjogt
wijjoggen
julliejoggen
zijjoggen

Verleden tijd

Simple Past

ikjogde
jijjogde
hij/zij/hetjogde
wijjogden
julliejogden
zijjogden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb joggend
jijhebt joggend
hij/zij/hetheeft joggend
wijhebben joggend
julliehebben joggend
zijhebben joggend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad joggend
jijhad joggend
hij/zij/hethad joggend
wijhadden joggend
julliehadden joggend
zijhadden joggend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal joggen
jijzal joggen
hij/zij/hetzal joggen
wijzullen joggen
julliezullen joggen
zijzullen joggen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal joggend hebben
jijzal joggend hebben
hij/zij/hetzal joggend hebben
wijzullen joggend hebben
julliezullen joggend hebben
zijzullen joggend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou joggen
jijzou joggen
hij/zij/hetzou joggen
wijzouden joggen
julliezouden joggen
zijzouden joggen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou joggend hebben
jijzou joggend hebben
hij/zij/hetzou joggend hebben
wijzouden joggend hebben
julliezouden joggend hebben
zijzouden joggend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het joggen
jijbent aan het joggen
hij/zij/hetis aan het joggen
wijzijn aan het joggen
julliezijn aan het joggen
zijzijn aan het joggen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het joggen
jijwas aan het joggen
hij/zij/hetwas aan het joggen
wijwaren aan het joggen
julliewaren aan het joggen
zijwaren aan het joggen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikjogg
jijjogg
hij/zij/hetjogg
wijjogg
julliejogg
zijjogg

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0