Dutch Verb
kamperen
to camp, camp put, encamp, go camping
takes hebbenstrongregular
Infinitive
kamperen
Past Participle
kamperend
Pres. Participle
kamperend
Imperative
kampeer / kampeert
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikkampeer
jijkampeert
hij/zij/hetkampeert
wijkamperen
julliekamperen
zijkamperen
Verleden tijd
Simple Past
ikkampeerde
jijkampeerde
hij/zij/hetkampeerde
wijkampeerden
julliekampeerden
zijkampeerden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb kamperend
jijhebt kamperend
hij/zij/hetheeft kamperend
wijhebben kamperend
julliehebben kamperend
zijhebben kamperend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad kamperend
jijhad kamperend
hij/zij/hethad kamperend
wijhadden kamperend
julliehadden kamperend
zijhadden kamperend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal kamperen
jijzal kamperen
hij/zij/hetzal kamperen
wijzullen kamperen
julliezullen kamperen
zijzullen kamperen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal kamperend hebben
jijzal kamperend hebben
hij/zij/hetzal kamperend hebben
wijzullen kamperend hebben
julliezullen kamperend hebben
zijzullen kamperend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou kamperen
jijzou kamperen
hij/zij/hetzou kamperen
wijzouden kamperen
julliezouden kamperen
zijzouden kamperen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou kamperend hebben
jijzou kamperend hebben
hij/zij/hetzou kamperend hebben
wijzouden kamperend hebben
julliezouden kamperend hebben
zijzouden kamperend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het kamperen
jijbent aan het kamperen
hij/zij/hetis aan het kamperen
wijzijn aan het kamperen
julliezijn aan het kamperen
zijzijn aan het kamperen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het kamperen
jijwas aan het kamperen
hij/zij/hetwas aan het kamperen
wijwaren aan het kamperen
julliewaren aan het kamperen
zijwaren aan het kamperen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikkamper
jijkamper
hij/zij/hetkamper
wijkamper
julliekamper
zijkamper
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0