FlexiVerb

Dutch Verb

kapen

to hijack, to privateer, to (illegally) seize control of something - especially ships or vehicles - by force

takes hebbenstrongregular

Infinitive

kapen

Past Participle

kapend

Pres. Participle

kapend

Imperative

kaap / kaapt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikkaap
jijkaapt
hij/zij/hetkaapt
wijkapen
julliekapen
zijkapen

Verleden tijd

Simple Past

ikkaapte
jijkaapte
hij/zij/hetkaapte
wijkaapten
julliekaapten
zijkaapten

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb kapend
jijhebt kapend
hij/zij/hetheeft kapend
wijhebben kapend
julliehebben kapend
zijhebben kapend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad kapend
jijhad kapend
hij/zij/hethad kapend
wijhadden kapend
julliehadden kapend
zijhadden kapend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal kapen
jijzal kapen
hij/zij/hetzal kapen
wijzullen kapen
julliezullen kapen
zijzullen kapen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal kapend hebben
jijzal kapend hebben
hij/zij/hetzal kapend hebben
wijzullen kapend hebben
julliezullen kapend hebben
zijzullen kapend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou kapen
jijzou kapen
hij/zij/hetzou kapen
wijzouden kapen
julliezouden kapen
zijzouden kapen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou kapend hebben
jijzou kapend hebben
hij/zij/hetzou kapend hebben
wijzouden kapend hebben
julliezouden kapend hebben
zijzouden kapend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het kapen
jijbent aan het kapen
hij/zij/hetis aan het kapen
wijzijn aan het kapen
julliezijn aan het kapen
zijzijn aan het kapen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het kapen
jijwas aan het kapen
hij/zij/hetwas aan het kapen
wijwaren aan het kapen
julliewaren aan het kapen
zijwaren aan het kapen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikkap
jijkap
hij/zij/hetkap
wijkap
julliekap
zijkap

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0