FlexiVerb

Dutch Verb

kelen

to cut the throat of

takes hebbenstrongregular

Infinitive

kelen

Past Participle

kelend

Pres. Participle

kelend

Imperative

keel / keelt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikkeel
jijkeelt
hij/zij/hetkeelt
wijkelen
julliekelen
zijkelen

Verleden tijd

Simple Past

ikkeelde
jijkeelde
hij/zij/hetkeelde
wijkeelden
julliekeelden
zijkeelden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb kelend
jijhebt kelend
hij/zij/hetheeft kelend
wijhebben kelend
julliehebben kelend
zijhebben kelend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad kelend
jijhad kelend
hij/zij/hethad kelend
wijhadden kelend
julliehadden kelend
zijhadden kelend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal kelen
jijzal kelen
hij/zij/hetzal kelen
wijzullen kelen
julliezullen kelen
zijzullen kelen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal kelend hebben
jijzal kelend hebben
hij/zij/hetzal kelend hebben
wijzullen kelend hebben
julliezullen kelend hebben
zijzullen kelend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou kelen
jijzou kelen
hij/zij/hetzou kelen
wijzouden kelen
julliezouden kelen
zijzouden kelen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou kelend hebben
jijzou kelend hebben
hij/zij/hetzou kelend hebben
wijzouden kelend hebben
julliezouden kelend hebben
zijzouden kelend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het kelen
jijbent aan het kelen
hij/zij/hetis aan het kelen
wijzijn aan het kelen
julliezijn aan het kelen
zijzijn aan het kelen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het kelen
jijwas aan het kelen
hij/zij/hetwas aan het kelen
wijwaren aan het kelen
julliewaren aan het kelen
zijwaren aan het kelen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikkel
jijkel
hij/zij/hetkel
wijkel
julliekel
zijkel

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0