Dutch Verb
martelen
to torture, to torment
takes hebbenstrongregular
Infinitive
martelen
Past Participle
martelend
Pres. Participle
martelend
Imperative
martel / martelt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikmartel
jijmartelt
hij/zij/hetmartelt
wijmartelen
julliemartelen
zijmartelen
Verleden tijd
Simple Past
ikmartelde
jijmartelde
hij/zij/hetmartelde
wijmartelden
julliemartelden
zijmartelden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb martelend
jijhebt martelend
hij/zij/hetheeft martelend
wijhebben martelend
julliehebben martelend
zijhebben martelend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad martelend
jijhad martelend
hij/zij/hethad martelend
wijhadden martelend
julliehadden martelend
zijhadden martelend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal martelen
jijzal martelen
hij/zij/hetzal martelen
wijzullen martelen
julliezullen martelen
zijzullen martelen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal martelend hebben
jijzal martelend hebben
hij/zij/hetzal martelend hebben
wijzullen martelend hebben
julliezullen martelend hebben
zijzullen martelend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou martelen
jijzou martelen
hij/zij/hetzou martelen
wijzouden martelen
julliezouden martelen
zijzouden martelen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou martelend hebben
jijzou martelend hebben
hij/zij/hetzou martelend hebben
wijzouden martelend hebben
julliezouden martelend hebben
zijzouden martelend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het martelen
jijbent aan het martelen
hij/zij/hetis aan het martelen
wijzijn aan het martelen
julliezijn aan het martelen
zijzijn aan het martelen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het martelen
jijwas aan het martelen
hij/zij/hetwas aan het martelen
wijwaren aan het martelen
julliewaren aan het martelen
zijwaren aan het martelen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikmartel
jijmartel
hij/zij/hetmartel
wijmartel
julliemartel
zijmartel
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0