FlexiVerb

Dutch Verb

meenemen

to take along, take away, carry off/along · to drop a course or postpone it to the next year, either deliberately or by necessity

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

meenemen

Past Participle

meenemend

Pres. Participle

meenemend

Imperative

neem mee / neemt mee

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikneem mee
jijneemt mee
hij/zij/hetneemt mee
wijnemen mee
jullienemen mee
zijnemen mee

Verleden tijd

Simple Past

iknam mee
jijnam mee
hij/zij/hetnam mee
wijnamen mee
jullienamen mee
zijnamen mee

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb meenemend
jijhebt meenemend
hij/zij/hetheeft meenemend
wijhebben meenemend
julliehebben meenemend
zijhebben meenemend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad meenemend
jijhad meenemend
hij/zij/hethad meenemend
wijhadden meenemend
julliehadden meenemend
zijhadden meenemend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal meenemen
jijzal meenemen
hij/zij/hetzal meenemen
wijzullen meenemen
julliezullen meenemen
zijzullen meenemen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal meenemend hebben
jijzal meenemend hebben
hij/zij/hetzal meenemend hebben
wijzullen meenemend hebben
julliezullen meenemend hebben
zijzullen meenemend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou meenemen
jijzou meenemen
hij/zij/hetzou meenemen
wijzouden meenemen
julliezouden meenemen
zijzouden meenemen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou meenemend hebben
jijzou meenemend hebben
hij/zij/hetzou meenemend hebben
wijzouden meenemend hebben
julliezouden meenemend hebben
zijzouden meenemend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het meenemen
jijbent aan het meenemen
hij/zij/hetis aan het meenemen
wijzijn aan het meenemen
julliezijn aan het meenemen
zijzijn aan het meenemen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het meenemen
jijwas aan het meenemen
hij/zij/hetwas aan het meenemen
wijwaren aan het meenemen
julliewaren aan het meenemen
zijwaren aan het meenemen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikmeenem
jijmeenem
hij/zij/hetmeenem
wijmeenem
julliemeenem
zijmeenem

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0