FlexiVerb

Dutch Verb

meewerken

to cooperate

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

meewerken

Past Participle

meewerkend

Pres. Participle

meewerkend

Imperative

werk mee / werkt mee

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikwerk mee
jijwerkt mee
hij/zij/hetwerkt mee
wijwerken mee
julliewerken mee
zijwerken mee

Verleden tijd

Simple Past

ikwerkte mee
jijwerkte mee
hij/zij/hetwerkte mee
wijwerkten mee
julliewerkten mee
zijwerkten mee

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb meewerkend
jijhebt meewerkend
hij/zij/hetheeft meewerkend
wijhebben meewerkend
julliehebben meewerkend
zijhebben meewerkend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad meewerkend
jijhad meewerkend
hij/zij/hethad meewerkend
wijhadden meewerkend
julliehadden meewerkend
zijhadden meewerkend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal meewerken
jijzal meewerken
hij/zij/hetzal meewerken
wijzullen meewerken
julliezullen meewerken
zijzullen meewerken

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal meewerkend hebben
jijzal meewerkend hebben
hij/zij/hetzal meewerkend hebben
wijzullen meewerkend hebben
julliezullen meewerkend hebben
zijzullen meewerkend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou meewerken
jijzou meewerken
hij/zij/hetzou meewerken
wijzouden meewerken
julliezouden meewerken
zijzouden meewerken

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou meewerkend hebben
jijzou meewerkend hebben
hij/zij/hetzou meewerkend hebben
wijzouden meewerkend hebben
julliezouden meewerkend hebben
zijzouden meewerkend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het meewerken
jijbent aan het meewerken
hij/zij/hetis aan het meewerken
wijzijn aan het meewerken
julliezijn aan het meewerken
zijzijn aan het meewerken

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het meewerken
jijwas aan het meewerken
hij/zij/hetwas aan het meewerken
wijwaren aan het meewerken
julliewaren aan het meewerken
zijwaren aan het meewerken
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikmeewerk
jijmeewerk
hij/zij/hetmeewerk
wijmeewerk
julliemeewerk
zijmeewerk

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0