FlexiVerb

Dutch Verb

mennen

(transitive) to lead (a) draught animal(s) · to drive a drawn vehicle (especially chariot) or plow · to deliver the load of such transport · (transitive) to take the lead, conduct, guide, command (troops), steer people/ events

takes hebbenstrongregular

Infinitive

mennen

Past Participle

mennend

Pres. Participle

mennend

Imperative

men / ment

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikmen
jijment
hij/zij/hetment
wijmennen
julliemennen
zijmennen

Verleden tijd

Simple Past

ikmende
jijmende
hij/zij/hetmende
wijmenden
julliemenden
zijmenden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb mennend
jijhebt mennend
hij/zij/hetheeft mennend
wijhebben mennend
julliehebben mennend
zijhebben mennend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad mennend
jijhad mennend
hij/zij/hethad mennend
wijhadden mennend
julliehadden mennend
zijhadden mennend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal mennen
jijzal mennen
hij/zij/hetzal mennen
wijzullen mennen
julliezullen mennen
zijzullen mennen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal mennend hebben
jijzal mennend hebben
hij/zij/hetzal mennend hebben
wijzullen mennend hebben
julliezullen mennend hebben
zijzullen mennend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou mennen
jijzou mennen
hij/zij/hetzou mennen
wijzouden mennen
julliezouden mennen
zijzouden mennen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou mennend hebben
jijzou mennend hebben
hij/zij/hetzou mennend hebben
wijzouden mennend hebben
julliezouden mennend hebben
zijzouden mennend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het mennen
jijbent aan het mennen
hij/zij/hetis aan het mennen
wijzijn aan het mennen
julliezijn aan het mennen
zijzijn aan het mennen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het mennen
jijwas aan het mennen
hij/zij/hetwas aan het mennen
wijwaren aan het mennen
julliewaren aan het mennen
zijwaren aan het mennen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikmenn
jijmenn
hij/zij/hetmenn
wijmenn
julliemenn
zijmenn

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0