FlexiVerb

Dutch Verb

meren

to moor

takes hebbenstrongregular

Infinitive

meren

Past Participle

merend

Pres. Participle

merend

Imperative

meer / meert

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikmeer
jijmeert
hij/zij/hetmeert
wijmeren
julliemeren
zijmeren

Verleden tijd

Simple Past

ikmeerde
jijmeerde
hij/zij/hetmeerde
wijmeerden
julliemeerden
zijmeerden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb merend
jijhebt merend
hij/zij/hetheeft merend
wijhebben merend
julliehebben merend
zijhebben merend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad merend
jijhad merend
hij/zij/hethad merend
wijhadden merend
julliehadden merend
zijhadden merend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal meren
jijzal meren
hij/zij/hetzal meren
wijzullen meren
julliezullen meren
zijzullen meren

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal merend hebben
jijzal merend hebben
hij/zij/hetzal merend hebben
wijzullen merend hebben
julliezullen merend hebben
zijzullen merend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou meren
jijzou meren
hij/zij/hetzou meren
wijzouden meren
julliezouden meren
zijzouden meren

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou merend hebben
jijzou merend hebben
hij/zij/hetzou merend hebben
wijzouden merend hebben
julliezouden merend hebben
zijzouden merend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het meren
jijbent aan het meren
hij/zij/hetis aan het meren
wijzijn aan het meren
julliezijn aan het meren
zijzijn aan het meren

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het meren
jijwas aan het meren
hij/zij/hetwas aan het meren
wijwaren aan het meren
julliewaren aan het meren
zijwaren aan het meren
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikmer
jijmer
hij/zij/hetmer
wijmer
julliemer
zijmer

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0