FlexiVerb

Dutch Verb

middelen

to take the average of · to mediate

takes hebbenstrongregular

Infinitive

middelen

Past Participle

middelend

Pres. Participle

middelend

Imperative

middel / middelt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikmiddel
jijmiddelt
hij/zij/hetmiddelt
wijmiddelen
julliemiddelen
zijmiddelen

Verleden tijd

Simple Past

ikmiddelde
jijmiddelde
hij/zij/hetmiddelde
wijmiddelden
julliemiddelden
zijmiddelden

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb middelend
jijhebt middelend
hij/zij/hetheeft middelend
wijhebben middelend
julliehebben middelend
zijhebben middelend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad middelend
jijhad middelend
hij/zij/hethad middelend
wijhadden middelend
julliehadden middelend
zijhadden middelend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal middelen
jijzal middelen
hij/zij/hetzal middelen
wijzullen middelen
julliezullen middelen
zijzullen middelen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal middelend hebben
jijzal middelend hebben
hij/zij/hetzal middelend hebben
wijzullen middelend hebben
julliezullen middelend hebben
zijzullen middelend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou middelen
jijzou middelen
hij/zij/hetzou middelen
wijzouden middelen
julliezouden middelen
zijzouden middelen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou middelend hebben
jijzou middelend hebben
hij/zij/hetzou middelend hebben
wijzouden middelend hebben
julliezouden middelend hebben
zijzouden middelend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het middelen
jijbent aan het middelen
hij/zij/hetis aan het middelen
wijzijn aan het middelen
julliezijn aan het middelen
zijzijn aan het middelen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het middelen
jijwas aan het middelen
hij/zij/hetwas aan het middelen
wijwaren aan het middelen
julliewaren aan het middelen
zijwaren aan het middelen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikmiddel
jijmiddel
hij/zij/hetmiddel
wijmiddel
julliemiddel
zijmiddel

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0