Dutch Verb
mishandelen
to abuse, to mistreat, to maltreat, to hurt
takes hebbenstrongregular
Infinitive
mishandelen
Past Participle
mishandelend
Pres. Participle
mishandelend
Imperative
mishandel / mishandelt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikmishandel
jijmishandelt
hij/zij/hetmishandelt
wijmishandelen
julliemishandelen
zijmishandelen
Verleden tijd
Simple Past
ikmishandelde
jijmishandelde
hij/zij/hetmishandelde
wijmishandelden
julliemishandelden
zijmishandelden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb mishandelend
jijhebt mishandelend
hij/zij/hetheeft mishandelend
wijhebben mishandelend
julliehebben mishandelend
zijhebben mishandelend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad mishandelend
jijhad mishandelend
hij/zij/hethad mishandelend
wijhadden mishandelend
julliehadden mishandelend
zijhadden mishandelend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal mishandelen
jijzal mishandelen
hij/zij/hetzal mishandelen
wijzullen mishandelen
julliezullen mishandelen
zijzullen mishandelen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal mishandelend hebben
jijzal mishandelend hebben
hij/zij/hetzal mishandelend hebben
wijzullen mishandelend hebben
julliezullen mishandelend hebben
zijzullen mishandelend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou mishandelen
jijzou mishandelen
hij/zij/hetzou mishandelen
wijzouden mishandelen
julliezouden mishandelen
zijzouden mishandelen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou mishandelend hebben
jijzou mishandelend hebben
hij/zij/hetzou mishandelend hebben
wijzouden mishandelend hebben
julliezouden mishandelend hebben
zijzouden mishandelend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het mishandelen
jijbent aan het mishandelen
hij/zij/hetis aan het mishandelen
wijzijn aan het mishandelen
julliezijn aan het mishandelen
zijzijn aan het mishandelen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het mishandelen
jijwas aan het mishandelen
hij/zij/hetwas aan het mishandelen
wijwaren aan het mishandelen
julliewaren aan het mishandelen
zijwaren aan het mishandelen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikmishandel
jijmishandel
hij/zij/hetmishandel
wijmishandel
julliemishandel
zijmishandel
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0