Dutch Verb
monteren
to assemble · to mount · to equip a soldier
takes hebbenstrongregular
Infinitive
monteren
Past Participle
monterend
Pres. Participle
monterend
Imperative
monteer / monteert
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikmonteer
jijmonteert
hij/zij/hetmonteert
wijmonteren
julliemonteren
zijmonteren
Verleden tijd
Simple Past
ikmonteerde
jijmonteerde
hij/zij/hetmonteerde
wijmonteerden
julliemonteerden
zijmonteerden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb monterend
jijhebt monterend
hij/zij/hetheeft monterend
wijhebben monterend
julliehebben monterend
zijhebben monterend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad monterend
jijhad monterend
hij/zij/hethad monterend
wijhadden monterend
julliehadden monterend
zijhadden monterend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal monteren
jijzal monteren
hij/zij/hetzal monteren
wijzullen monteren
julliezullen monteren
zijzullen monteren
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal monterend hebben
jijzal monterend hebben
hij/zij/hetzal monterend hebben
wijzullen monterend hebben
julliezullen monterend hebben
zijzullen monterend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou monteren
jijzou monteren
hij/zij/hetzou monteren
wijzouden monteren
julliezouden monteren
zijzouden monteren
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou monterend hebben
jijzou monterend hebben
hij/zij/hetzou monterend hebben
wijzouden monterend hebben
julliezouden monterend hebben
zijzouden monterend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het monteren
jijbent aan het monteren
hij/zij/hetis aan het monteren
wijzijn aan het monteren
julliezijn aan het monteren
zijzijn aan het monteren
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het monteren
jijwas aan het monteren
hij/zij/hetwas aan het monteren
wijwaren aan het monteren
julliewaren aan het monteren
zijwaren aan het monteren
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikmonter
jijmonter
hij/zij/hetmonter
wijmonter
julliemonter
zijmonter
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0