FlexiVerb

Dutch Verb

neerslaan

to knock down · to fall down, precipitate (of rain, mist, etc.) · to precipitate · to condense

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

neerslaan

Past Participle

neerslaand

Pres. Participle

neerslaand

Imperative

sla neer / slaat neer

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

iksla neer
jijslaat neer
hij/zij/hetslaat neer
wijslaan neer
jullieslaan neer
zijslaan neer

Verleden tijd

Simple Past

iksloeg neer
jijsloeg neer
hij/zij/hetsloeg neer
wijsloegen neer
julliesloegen neer
zijsloegen neer

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb neerslaand
jijhebt neerslaand
hij/zij/hetheeft neerslaand
wijhebben neerslaand
julliehebben neerslaand
zijhebben neerslaand

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad neerslaand
jijhad neerslaand
hij/zij/hethad neerslaand
wijhadden neerslaand
julliehadden neerslaand
zijhadden neerslaand

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal neerslaan
jijzal neerslaan
hij/zij/hetzal neerslaan
wijzullen neerslaan
julliezullen neerslaan
zijzullen neerslaan

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal neerslaand hebben
jijzal neerslaand hebben
hij/zij/hetzal neerslaand hebben
wijzullen neerslaand hebben
julliezullen neerslaand hebben
zijzullen neerslaand hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou neerslaan
jijzou neerslaan
hij/zij/hetzou neerslaan
wijzouden neerslaan
julliezouden neerslaan
zijzouden neerslaan

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou neerslaand hebben
jijzou neerslaand hebben
hij/zij/hetzou neerslaand hebben
wijzouden neerslaand hebben
julliezouden neerslaand hebben
zijzouden neerslaand hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het neerslaan
jijbent aan het neerslaan
hij/zij/hetis aan het neerslaan
wijzijn aan het neerslaan
julliezijn aan het neerslaan
zijzijn aan het neerslaan

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het neerslaan
jijwas aan het neerslaan
hij/zij/hetwas aan het neerslaan
wijwaren aan het neerslaan
julliewaren aan het neerslaan
zijwaren aan het neerslaan
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikneerslaa
jijneerslaa
hij/zij/hetneerslaa
wijneerslaa
jullieneerslaa
zijneerslaa

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0