Dutch Verb
notuleren
to minute, to write down the minutes of a meeting
takes hebbenstrongregular
Infinitive
notuleren
Past Participle
notulerend
Pres. Participle
notulerend
Imperative
notuleer / notuleert
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
iknotuleer
jijnotuleert
hij/zij/hetnotuleert
wijnotuleren
jullienotuleren
zijnotuleren
Verleden tijd
Simple Past
iknotuleerde
jijnotuleerde
hij/zij/hetnotuleerde
wijnotuleerden
jullienotuleerden
zijnotuleerden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb notulerend
jijhebt notulerend
hij/zij/hetheeft notulerend
wijhebben notulerend
julliehebben notulerend
zijhebben notulerend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad notulerend
jijhad notulerend
hij/zij/hethad notulerend
wijhadden notulerend
julliehadden notulerend
zijhadden notulerend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal notuleren
jijzal notuleren
hij/zij/hetzal notuleren
wijzullen notuleren
julliezullen notuleren
zijzullen notuleren
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal notulerend hebben
jijzal notulerend hebben
hij/zij/hetzal notulerend hebben
wijzullen notulerend hebben
julliezullen notulerend hebben
zijzullen notulerend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou notuleren
jijzou notuleren
hij/zij/hetzou notuleren
wijzouden notuleren
julliezouden notuleren
zijzouden notuleren
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou notulerend hebben
jijzou notulerend hebben
hij/zij/hetzou notulerend hebben
wijzouden notulerend hebben
julliezouden notulerend hebben
zijzouden notulerend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het notuleren
jijbent aan het notuleren
hij/zij/hetis aan het notuleren
wijzijn aan het notuleren
julliezijn aan het notuleren
zijzijn aan het notuleren
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het notuleren
jijwas aan het notuleren
hij/zij/hetwas aan het notuleren
wijwaren aan het notuleren
julliewaren aan het notuleren
zijwaren aan het notuleren
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyiknotuler
jijnotuler
hij/zij/hetnotuler
wijnotuler
jullienotuler
zijnotuler
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0