Dutch Verb
omarmen
to embrace, to put arms around · to embrace, to accept (a plan or a fact)
takes hebbenseparablestrongregular
Infinitive
omarmen
Past Participle
omarmend
Pres. Participle
omarmend
Imperative
omarm / omarmt
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikomarm
jijomarmt
hij/zij/hetomarmt
wijomarmen
jullieomarmen
zijomarmen
Verleden tijd
Simple Past
ikomarmde
jijomarmde
hij/zij/hetomarmde
wijomarmden
jullieomarmden
zijomarmden
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb omarmend
jijhebt omarmend
hij/zij/hetheeft omarmend
wijhebben omarmend
julliehebben omarmend
zijhebben omarmend
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad omarmend
jijhad omarmend
hij/zij/hethad omarmend
wijhadden omarmend
julliehadden omarmend
zijhadden omarmend
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal omarmen
jijzal omarmen
hij/zij/hetzal omarmen
wijzullen omarmen
julliezullen omarmen
zijzullen omarmen
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal omarmend hebben
jijzal omarmend hebben
hij/zij/hetzal omarmend hebben
wijzullen omarmend hebben
julliezullen omarmend hebben
zijzullen omarmend hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou omarmen
jijzou omarmen
hij/zij/hetzou omarmen
wijzouden omarmen
julliezouden omarmen
zijzouden omarmen
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou omarmend hebben
jijzou omarmend hebben
hij/zij/hetzou omarmend hebben
wijzouden omarmend hebben
julliezouden omarmend hebben
zijzouden omarmend hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het omarmen
jijbent aan het omarmen
hij/zij/hetis aan het omarmen
wijzijn aan het omarmen
julliezijn aan het omarmen
zijzijn aan het omarmen
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het omarmen
jijwas aan het omarmen
hij/zij/hetwas aan het omarmen
wijwaren aan het omarmen
julliewaren aan het omarmen
zijwaren aan het omarmen
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikomarm
jijomarm
hij/zij/hetomarm
wijomarm
jullieomarm
zijomarm
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0