FlexiVerb

Dutch Verb

omgeven

to surround

takes hebbenseparablestrongregular

Infinitive

omgeven

Past Participle

omgevend

Pres. Participle

omgevend

Imperative

omgeef / omgeeft

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikomgeef
jijomgeeft
hij/zij/hetomgeeft
wijomgeven
jullieomgeven
zijomgeven

Verleden tijd

Simple Past

ikomgaf
jijomgaf
hij/zij/hetomgaf
wijomgaven
jullieomgaven
zijomgaven

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb omgevend
jijhebt omgevend
hij/zij/hetheeft omgevend
wijhebben omgevend
julliehebben omgevend
zijhebben omgevend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad omgevend
jijhad omgevend
hij/zij/hethad omgevend
wijhadden omgevend
julliehadden omgevend
zijhadden omgevend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal omgeven
jijzal omgeven
hij/zij/hetzal omgeven
wijzullen omgeven
julliezullen omgeven
zijzullen omgeven

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal omgevend hebben
jijzal omgevend hebben
hij/zij/hetzal omgevend hebben
wijzullen omgevend hebben
julliezullen omgevend hebben
zijzullen omgevend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou omgeven
jijzou omgeven
hij/zij/hetzou omgeven
wijzouden omgeven
julliezouden omgeven
zijzouden omgeven

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou omgevend hebben
jijzou omgevend hebben
hij/zij/hetzou omgevend hebben
wijzouden omgevend hebben
julliezouden omgevend hebben
zijzouden omgevend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het omgeven
jijbent aan het omgeven
hij/zij/hetis aan het omgeven
wijzijn aan het omgeven
julliezijn aan het omgeven
zijzijn aan het omgeven

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het omgeven
jijwas aan het omgeven
hij/zij/hetwas aan het omgeven
wijwaren aan het omgeven
julliewaren aan het omgeven
zijwaren aan het omgeven
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikomgev
jijomgev
hij/zij/hetomgev
wijomgev
jullieomgev
zijomgev

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0