Dutch Verb
ondergaan
to undergo, endure · to put up with
takes hebbenstrongregular
Infinitive
ondergaan
Past Participle
ondergaand
Pres. Participle
ondergaand
Imperative
onderga / ondergaat
Simple Tenses
The two base forms — everything else builds from these
Tegenwoordige tijd
Present
ikonderga
jijondergaat
hij/zij/hetondergaat
wijondergaan
jullieondergaan
zijondergaan
Verleden tijd
Simple Past
ikonderging
jijonderging
hij/zij/hetonderging
wijondergingen
jullieondergingen
zijondergingen
Perfect Tenses
Actions completed relative to a point in time
Voltooid tegenwoordige tijd
Perfect
hebben (present) + past participleikheb ondergaand
jijhebt ondergaand
hij/zij/hetheeft ondergaand
wijhebben ondergaand
julliehebben ondergaand
zijhebben ondergaand
Voltooid verleden tijd
Pluperfect
hebben (past) + past participleikhad ondergaand
jijhad ondergaand
hij/zij/hethad ondergaand
wijhadden ondergaand
julliehadden ondergaand
zijhadden ondergaand
Future Tenses
Events that will or would happen
Toekomende tijd
Future
zullen + infinitiveikzal ondergaan
jijzal ondergaan
hij/zij/hetzal ondergaan
wijzullen ondergaan
julliezullen ondergaan
zijzullen ondergaan
Voltooid toekomende tijd
Future Perfect
zullen + past participle + hebbenikzal ondergaand hebben
jijzal ondergaand hebben
hij/zij/hetzal ondergaand hebben
wijzullen ondergaand hebben
julliezullen ondergaand hebben
zijzullen ondergaand hebben
Conditional
Hypothetical and contrary-to-fact situations
Voorwaardelijke wijs
Conditional
zou/zouden + infinitiveikzou ondergaan
jijzou ondergaan
hij/zij/hetzou ondergaan
wijzouden ondergaan
julliezouden ondergaan
zijzouden ondergaan
Voltooid voorwaardelijke wijs
Conditional Perfect
zou/zouden + past participle + hebbenikzou ondergaand hebben
jijzou ondergaand hebben
hij/zij/hetzou ondergaand hebben
wijzouden ondergaand hebben
julliezouden ondergaand hebben
zijzouden ondergaand hebben
Progressive
Ongoing actions — using the aan het construction
Tegenwoordige duur
Present Progressive
zijn (present) + aan het + infinitiveikben aan het ondergaan
jijbent aan het ondergaan
hij/zij/hetis aan het ondergaan
wijzijn aan het ondergaan
julliezijn aan het ondergaan
zijzijn aan het ondergaan
Verleden duur
Past Progressive
zijn (past) + aan het + infinitiveikwas aan het ondergaan
jijwas aan het ondergaan
hij/zij/hetwas aan het ondergaan
wijwaren aan het ondergaan
julliewaren aan het ondergaan
zijwaren aan het ondergaan
›Formal & Archaic Forms
Subjunctive
Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions
Aanvoegende wijs
Subjunctive
bare stem — all personsSurvives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.
Archaic — formal/literary onlyikondergaa
jijondergaa
hij/zij/hetondergaa
wijondergaa
jullieondergaa
zijondergaa
Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0