FlexiVerb

Dutch Verb

onderwerpen

to subject

takes hebbenstrongregular

Infinitive

onderwerpen

Past Participle

onderwerpend

Pres. Participle

onderwerpend

Imperative

onderwerp / onderwerpt

Simple Tenses

The two base forms — everything else builds from these

Tegenwoordige tijd

Present

ikonderwerp
jijonderwerpt
hij/zij/hetonderwerpt
wijonderwerpen
jullieonderwerpen
zijonderwerpen

Verleden tijd

Simple Past

ikonderwierp
jijonderwierp
hij/zij/hetonderwierp
wijonderwierpen
jullieonderwierpen
zijonderwierpen

Perfect Tenses

Actions completed relative to a point in time

Voltooid tegenwoordige tijd

Perfect

hebben (present) + past participle
ikheb onderwerpend
jijhebt onderwerpend
hij/zij/hetheeft onderwerpend
wijhebben onderwerpend
julliehebben onderwerpend
zijhebben onderwerpend

Voltooid verleden tijd

Pluperfect

hebben (past) + past participle
ikhad onderwerpend
jijhad onderwerpend
hij/zij/hethad onderwerpend
wijhadden onderwerpend
julliehadden onderwerpend
zijhadden onderwerpend

Future Tenses

Events that will or would happen

Toekomende tijd

Future

zullen + infinitive
ikzal onderwerpen
jijzal onderwerpen
hij/zij/hetzal onderwerpen
wijzullen onderwerpen
julliezullen onderwerpen
zijzullen onderwerpen

Voltooid toekomende tijd

Future Perfect

zullen + past participle + hebben
ikzal onderwerpend hebben
jijzal onderwerpend hebben
hij/zij/hetzal onderwerpend hebben
wijzullen onderwerpend hebben
julliezullen onderwerpend hebben
zijzullen onderwerpend hebben

Conditional

Hypothetical and contrary-to-fact situations

Voorwaardelijke wijs

Conditional

zou/zouden + infinitive
ikzou onderwerpen
jijzou onderwerpen
hij/zij/hetzou onderwerpen
wijzouden onderwerpen
julliezouden onderwerpen
zijzouden onderwerpen

Voltooid voorwaardelijke wijs

Conditional Perfect

zou/zouden + past participle + hebben
ikzou onderwerpend hebben
jijzou onderwerpend hebben
hij/zij/hetzou onderwerpend hebben
wijzouden onderwerpend hebben
julliezouden onderwerpend hebben
zijzouden onderwerpend hebben

Progressive

Ongoing actions — using the aan het construction

Tegenwoordige duur

Present Progressive

zijn (present) + aan het + infinitive
ikben aan het onderwerpen
jijbent aan het onderwerpen
hij/zij/hetis aan het onderwerpen
wijzijn aan het onderwerpen
julliezijn aan het onderwerpen
zijzijn aan het onderwerpen

Verleden duur

Past Progressive

zijn (past) + aan het + infinitive
ikwas aan het onderwerpen
jijwas aan het onderwerpen
hij/zij/hetwas aan het onderwerpen
wijwaren aan het onderwerpen
julliewaren aan het onderwerpen
zijwaren aan het onderwerpen
›Formal & Archaic Forms

Subjunctive

Aanvoegende wijs — survives only in fixed literary expressions

Aanvoegende wijs

Subjunctive

bare stem — all persons

Survives only in fixed formal/literary expressions. Not used in everyday Dutch.

Archaic — formal/literary only
ikonderwerp
jijonderwerp
hij/zij/hetonderwerp
wijonderwerp
jullieonderwerp
zijonderwerp

Conjugation data: kaikki.org / Wiktionary — CC BY-SA 4.0